Leeftijd niet enige succesfactor
Een jongere met een Werkloosheidswetuitkering is doorgaans sneller weer aan de slag dan een 50-plusser. Toch kan de kans van een 50-plusser op een nieuwe baan soms groter zijn dan die van een dertiger. Naast de leeftijd zijn namelijk ook andere factoren van invloed op de werkhervatting, zoals
de duur van de vorige baan, de sector waarin men actief is en de maximale WW-duur.
Leeftijd
Leeftijd is belangrijk bij de zoektocht naar een baan. Hoe ouder de persoon is, hoe kleiner de uitstroom uit de WW naar een baan. De werkhervatting neemt af van circa 80 procent voor een twintiger tot 20 procent voor een zestiger. Andere factoren dan de leeftijd zorgen voor minder sterke leeftijdsverschillen en laten een vrijwel gelijke geschatte kans op een zien voor de 30 tot 50 jarigen. Aan de andere kant zien we in sectoren dat er juist langer wordt doorgewerkt door 65-plussers. Ze werkte in 2012 op 13.800 boerderijen nog een 65-plusser als bedrijfshoofd. Dit betekent dat op 21 van de 100 land- en tuinbouwbedrijven een gepensioneerde boer of een boerin aan het werk was. In 2012 werd ruim 21 procent van de land- en tuinbouwbedrijven nog bestierd door een 65-plusser. Dit was 10 jaar eerder iets meer dan 19 procent en 25 jaar terug maar 13 procent.
Jobhopper vindt sneller werk
Naarmate personen langer in dezelfde baan hebben gewerkt voordat ze in de WW stromen, neemt de kans op het vinden van een baan geleidelijk af. Van personen die korter dan 1 jaar in dezelfde baan hebben gewerkt voorafgaand aan instroom in de WW, stromen twee op de drie personen binnen een jaar weer uit de WW naar een baan. Zij stromen 1,3 keer zo vaak uit naar een baan dan personen Lees verder…
Deze week kwam het kabinet met een plan voor de aanpak van de verder toenemende jeugdwerkloosheid. In april wil het kabinet het startsein geven voor de impuls Aanpak Jeugdwerkloosheid. Vanaf dat moment komt er een heuse ambassadeur die ervoor moet zorgen dat de arbeidsmarktregio’s en de mbo-instellingen aan de slag gaan om ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk jongeren werken of leren. Voor de gezamenlijke Aanpak Jeugdwerkloosheid stelt het kabinet €35 miljoen beschikbaar. Het aantal werklozen is gestegen naar ruim 77.000 waarvan er ongeveer 40.000 niet in het bezit van een startkwalificatie zijn. Het is alweer de 3e keer in krap tien jaar tijd dat het kabinet komt met maatregelen om de jeugdwerkloosheid aan te pakken.
Jeugdwerkloosheid kent eigen dynamiek
Of dergelijke aanpak hout snijdt is de vraag. Werkloosheid en meer specifiek de jeugdwerkloosheid kent zo zijn eigen dynamiek. Ongeacht de maatregelen die genomen worden. In een beleidsnota van het Ministerie van Sociale Zaken uit 2010 geeft het Ministerie zelf antwoord op deze retorische vraag. “Zodra het economisch minder goed Lees verder…
Welke generatie krijgt de voorrang?
Er dreigt een generatie jongeren aan te komen die wat betreft betaald werk buiten de boot gaat vallen. Het lijkt er op dat de huidige regering haar  ogen echter uitsluitend gericht heeft op het steeds maar langer laten werken van oudere werknemers. Hele groepen jongeren zitten thuis, terwijl de oudere werknemer zich dagelijks de vraag stelt of het werk wel is vol te houden. In het onderwijs – zeker in het MBO – zien we grote verschuivingen in het aanbod en vraag naar opleidingen. Was er eerst een grote behoefte aan jongeren in de kinderopvang, is de vraag vanuit de markt vrijwel nihil. En zo zijn er nog meer voorbeelden vanuit onder meer de de bouw.
Het werkloosheidscijfer van de beroepsbevolking is bijna vergelijkbaar aan dat in de jaren 80 van de vorige eeuw. Met name de jeugdwerkloosheid is het grootste probleem, er dreigt een generatie jongeren aan te komen die voor wat betreft betaald werk helemaal buiten de boot gaat vallen. Deze groep heeft vaak wel een schuld overgehouden aan de opleiding, maar komt niet aan de ‘bak’. Vooral op het lagere niveau van het MBO. Jongeren met een hogere opleiding verdringen jongeren met een opleiding op het lagere MBO niveau! Bedrijven vinden dit wel prettig. Lees verder…
Het probleem van nu is, dat ouders zelf vaak op zoek moeten naar een passende plek in het onderwijs voor hun zoon of dochter. Â Binnenkort wordt dit anders! Vanaf 1 augustus 2014 zijn scholen verplicht een passende plek in het onderwijs te bieden aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Waar er nu nog aparte voorzieningen zijn – buiten de scholen om – komt nu alles terecht bij de scholen.
De huidige organisatie van passend onderwijs is complex en daardoor moeilijk bereikbaar. Ook is niet altijd duidelijk waar geld voor extra ondersteuning naartoe gaat. Daarom gaan scholen in de regio samenwerken om leerlingen een passende plek in het onderwijs te bieden. Niet elke gewone school hoeft alle kinderen op te vangen, nog los van het feit of ze dit wel kunnen. Kan een school geen passend onderwijs geven, dan wordt binnen het samenwerkingsverband van scholen een andere school gezocht die dit wel biedt. Scholen kunnen zich specialiseren op bijvoorbeeld een specifieke vorm van ondersteuning en onderling afspreken wie welke kinderen het beste onderwijs kan bieden.
Docenten en schoolleiders krijgen in het nieuwe stelsel een centrale rol. Zij staan dichtbij de leerlingen en weten welke behoeften ze hebben. Lees verder…
Vandaag in het nieuws. In de Nieuwe Kerk in Den Haag ontvingen de eerste 52 basis- en middelbare scholen uit handen van staatssecretaris Sander Dekker het predicaat ’Excellente School 2012’. De scholen die het predicaat toegekend kregen, vormen een gevarieerd gezelschap. Kleine en grote scholen, van Limburg tot Friesland, vmbo tot gymnasium. De uitreiking is de start van een jaarlijkse traditie. Lees verder…
Groepsdynamica in het onderwijs!
Vroeger was het gebruikelijk dat docenten een groot deel van hun hele loopbaan bij hetzelfde team of school bleven werken. Zij verrichtten daar vaak jarenlang hetzelfde werk. Zij wisten precies waar ze aan toe waren, het doel was duidelijk en taken en verantwoordelijkheden waren duidelijk omschreven. Ze kenden hun plek in het team van docenten met wie ze samenwerkten. In de huidige praktijk zie je bijvoorbeeld dat docenten vanuit Educatie en inburgering – vanwege bezuinigingen – een nieuwe werkplek moeten vinden binnen de diverse mbo instellingen.
Doordat ook scholen met hun onderwijs snel in moeten kunnen spelen op veranderingen in hun direct regionale omgeving, wisselen groepen docenten tegenwoordig voortdurend van samenstelling en opdracht. Dat kan leiden tot onrust en onduidelijkheid bij docenten. Docenten reageren hier over het algemeen verschillend op. Sommige docenten gaan hun eigen weg en sluiten zich op in hun “eigen wereld” en bemoeien zich zo min mogelijk met de andere teamleden. Anderen sluiten wisselende coalities, waarmee ze hun eigen belangen veilig stellen. En een enkele docent, soms de manager van het team, doet zijn uiterste best om gemeenschappelijkheid te creëren in het team waar hij voor verantwoordelijk is, zodat er betere resultaten geboekt kunnen worden. Bijvoorbeeld een beter diploma rendement of een grotere instroom van nieuwe studenten.
Soms is het doel van de manager gewoon gericht op een betere samenwerking in het team. Een betere samenwerking draagt aan de arbeidstevredenheid van een ieder. Met de gedachte “beter een gelukkig team, dan een ongelukkig team”.
Mensen functioneren zoals de omgeving het toelaat is mijn stelling. Arbeidstevredenheid of ontevredenheid van docenten straalt uit naar de studenten, dus…….. Lees verder…
We denken altijd dat een jongere met een WW-uitkering doorgaans sneller weer aan de slag is dan de 50-plusser. Is dat ook altijd zo? De kans van een 50-plusser op een nieuwe baan kan in de praktijk soms groter zijn dan die van een dertiger. Naast de leeftijd zijn namelijk ook andere factoren van invloed op de werkhervatting, zoals de duur van de vorige baan, de sector waarin men actief is, de maximale WW-duur en de arbeidsmarkt categorie waartoe je hoort.
Wat valt er te zeggen over de leeftijd? Lees verder…
Er is nog hoop, de MTS is back in town. De laatste weken is toch met veel enthousiasme de MTS en de MEAO de ether in geslingerd. Ik wil niet zeggen dat mijn maag hiervan begon te draaien, maar het scheelde toch niet veel. Zitten we hier nu op te wachten? Volgens mij zijn toch veel mensen vergeten dat het vroeger toch ook niet allemaal even goed was op school. Alsof er toen wel voldoende aansluiting was met de vraagstukken uit de arbeidsmarkt of de doorstroom naar het HBO.
Ik krijg toch het gevoel dat bepaalde onderwijsinstellingen dit soort van populistische zaken roepen, omdat ze iets anders te verbergen hebben. Het gaat m.i. dan om het leveren van omderwijskwaliteit of het hebben van een financieel probleem. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan de laatste berichten over de ROC’s in Rotterdam. Ook InHolland heeft het nu opeens over het in eren herstellen van de heao en hts. Nou dan gaat het opeens natuurlijk een stuk beter………
Groot lijkt te staan voor slecht. Dit lijkt me toch een zeer ongenuanceerde enge benadering. Ik denk dat heel veel studenten en bedrijven blij zijn dat ze niet te maken hebben met een groot aan schooltjes in de omgeving. Volgens mij is de essentie niet de omvang, maar de wijze waarop er aandacht wordt gegeven aan de student of het bedrijf. Dit heeft niets te maken met omvang. In Nederland hebben we al snel de neiging om de oplossing van het probleem te zoeken in het veranderen van een structuur. Er is kritiek – de docenten kennen de leerlingen niet meer -, dus we maken kleinere scholen? In Nederland zullen we dit toch fundamenteler moeten aanpakken. We zullen patronen moeten doorbereken, in plaats van het aanpassen van de structuur van de organisatie.
We moeten weer oprecht geïnteresseerd zijn in elkaar, met aandacht en respect. Als we dit ook im het onderwijs voor elkaar krijgen dan maakt het niet uit of je groot of klein georganiseerd bent.
Stages en leerbedrijven
De daling van het aanbod van stages en leerbanen wordt voor het schooljaar
2012- 2013 sterk merkbaar. Op basis van de huidige prognoses van aanmeldingen is de verwachting dat het aantal leerbanen voor bbl-studenten met 8% daalt in vergelijking met een jaar geleden. Het gaat dan om studenten die een dag per week naar school toe gaan en vier dagen in een bedrijf werken. En dat terwijl het aantal bbl-studenten het jaar daarvoor er ook
al een daling van 10.000 leerbanen was. Lees verder…
Opleidingsniveau in Nederland gaat nog steeds omhoog!
Met de economie gaat het nog steeds niet goed in Nederland. Toch is er ook in deze periode een opwaartse stroming te constateren. Het opleidingsniveau van Nederlanders stijgt nog steeds. We worden steeds “slimmer”, terwijl de economie achterblijft. De OESO heeft onderzoek gedaan.
Het OESO rapport Education at a Glance 2012 laat zien dat het opleidingsniveau van de Nederlandse bevolking nog steeds hoger wordt, net als in de andere OESO-landen trouwens.
Bij de Nederlandse bevolking ligt het aandeel personen met een hogere opleiding in 2010 rond het OESO-gemiddelde. Het gaat hier om een opleiding op minimaal hbo en/of universitair niveau. Het aandeel Nederlandse jongeren van 25-34 jaar met een hogere opleiding ligt in 2010 een paar Lees verder…
Laatste reacties